is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en daarop hartelijk: „Wilt u met mijn zuster, die hier woont, samen den catechismus lezen? Dan zal u langzamerhand veel duidelijk worden, dat u nu nog onbegrijpelijk is. En later spreken wij er nog eens over."

Met deze woorden stond hij op en nam afscheid.

* *

*

Toen Maleen eenigen tijd later, tijdens een korte vacantie, met Just haar eersten kerkgang deed naar het oude kerkje uit den compagniestijd, beving haar een gevoel van grooten schroom, maar tegelijk van trotsche dankbaarheid, dat ze daar zitten mocht met haar liefste onder de prediking naar Gods woord.

Just zat daar zoo zeker en gewoon, als iemand voor wien een kerkgang een vanzelfsheid is. Zelf poogde ze haar verlegenheid te verbergen onder een schijn van verzekerdheid, die ze echter allerminst zoo gevoelde. Ze kon het opgegeven tekstgedeelte niet vinden en ging in de onberijmde psalmen zoeken, toen er gezongen zou worden. Toen Just haar met een en ander terecht had geholpen, durfde ze nauwelijks de onbekende wijzen zacht meezingen, bleef maar liever luisteren naar de gemeente en naar Just, die uit volle borst, zoo maar uit zijn hoofd, meezong. Wel een leuke stem had hij, vond ze. Toch ook wel een beetje met den commando-toon er in, zooiets van: spreek me niet tegen, zóó is het en niet anders. Maar daar had ze juist pleizier in, hij moest een echte man zijn, geen fleemer.

Dan schaamde zij zich weer, dat ze bij haar eersten kerkgang aan zulke dingen dacht. Ze dwong zich tot luisteren en opletten, toch sprong telkens haar hart weer op van vreugde, dat ze hier zoo maar zitten mocht, aan Justs zij in Gods huis.

„Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij", klonk plechtig en dringend het tekstwoord van dien morgen reeds voor den derden keer. In treffende bewoordingen vergeleek de oude predikant het leven in Christus met het schijnbestaan daar buiten. Hij sprak over de genade, deel te mogen hebben aan dat leven en over den plicht van dankbaarheid, die den geloovige betaamde.

„Niemand komt tot den Vader dan door mii".... ruischte het