is toegevoegd aan uw favorieten.

Het witte doek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tjes in het mondje, met twee van het andere handje, in reflexbeweging, een strookje van haar hanssopje bewrijvend, tot ze wegdoezelde in zoete rust.

Just zat met zijn vrouw en een Bataviaschen vriend in de voorgalerij de avonduren stuk te praten. Emy stak kaarsjes aan in de rij kleurige lampions, die in de vensteropening van de achtergalerij hingen. Ze was zoo ingespannen bezig, dat ze tijd en omgeving vergat. — Diezelfde lampions hadden ook op Oudejaarsavonden het voorgalerijtje in Soekaboemi versierd. Dan kwamen de schoolkinderen als nachtvlinders op de vroolijke kleuren af en soms een „ronzebons", die met onwelluidende muziek de plechtigheid van den Oudejaarsavond wel verstoorde, maar de feestelijkheid er van verhoogde.

Dacht het kind aan dat alles, gehurkt in de venster-opening en turend naar de lichtjes?

In gedachten was de moeder bij haar, terwijl ze haar gastvrouwelijke plichten waarnam en tegelijk met belangstelling het gesprek trachtte te volgen. De stilte buiten was bijna hoorbaar, — nog intenser telkens na het naargeestig ge-„hoe-iet" van een uiltje. Het maanlicht droop van de takken der kenarieboomen, langs de machtige stammen uitplassend op den verlaten weg.

Maleen vergat het gesprek te volgen, mijmerend keek ze naar buiten.

Oudejaarsavond! — Nu eens niet met het tijdverschil rekenen. — Moeder thuis onder de lamp, in stilte al haar kinderen gedenkend. Bleek zag haar lieve gezicht. — André in breeden familiekring, blij feestvierend in het groote landhuis in Kent. Heerlijk, dat André evenals Job nog meer terugkreeg dan hij verloren had. — Jan, knus en gezellig met de zijnen in de huiskamer vereenigd. — Bij Stance pret en jolijt. — Bij Henk ook wel zoo.

Als je zoo nadacht over allerlei plekjes op aarde, waar menschen wonen, wat gaf dan de gelijktijdigheid van zoo veel uiteenloopend gebeuren een gevoel van kleinheid en onmacht, van afhankelijkheid jegens dien Eenen, wiens machtige blik het al overziet.

Het ontbreken van kerkelijke leering en stichting, het gemis van alle geestelijk contact had hier in de eenzaamheid de harten