is toegevoegd aan uw favorieten.

Amok...

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten, dat in de nuchtere gouvernementsbureaux en de Europeesche wijken der groote Indische steden gestorven is, althans schijnt, maar dat zich hier onverzwakt handhaaft.

De auto rijdt door verschillende poorten en over steeds smaller wordende ruimten tot vóór de vijfde poort — als ik althans goed heb geteld. De ruimte voor deze poort is bijna niet verlicht, alleen een lamp boven den ingang naar de Prabajasa verspreidt een flauw licht. En vóór dien ingang staat, in uniform van hoofdofficier van het Nederlandsch-Indische leger, maar met de kepi op de naar Midden-Javaansche wijze gelegde hoofddoek, een der Djocja'sche prinsen. Hij heeft, als familielid van den Sultan, tot taak de gasten te ontvangen. Galant biedt hij Non z'n arm aan, en als ik de half-Indische dochter van den administrateur zie voortschrijden naast den zoon uit den kraton, dan flitst het mij door het hoofd, dat die twee toch wel heel erg op elkaar lijken. Dezelfde gezichtsvorm, dezelfde gelaatstrekken, dezelfde oogen. Voorwaar, Non's afkomst verloochent zich niet. Maar ik heb niet lang tijd om daaraan te denken. Mijn blik wordt getroffen door een zeldzaam schouwspel. Tusschen de vijfde en zesde poort hurken zeker een paar honderd vrouwen, met tot op de borst ontbloote hals. Onbewegelijk zitten zij daar, de vrij kleine ruimte geheel vullend. Als ik vraag, wat dat voor vrouwen zijn, hoor ik, dat zij de vrouwelijke lijfwacht van den sultan vormen.

Dan komen we de prabajasa zelf binnen en betreden we, voorafgegaan door hoogwaardigheids-