is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblik, het is korter dan een oogenblik, dat hij den haas op den vizierkorrel heeft. Hij ziet dat met zekere oogen, hij voelt dat met fijne vingers, de onontkoombare zekerheid van zijn schot, hij haalt den haan over, de kolf drukt even den schouder, een blij schot slaat kort, het ratelt vervolgens met zeer verre, lichte, vroolijke sprongen. De jachthond schiet al weg in de richting van den getuimelden haas en keert er nadien mee terug. Zij jagen middagen lang, het kan zijn dat de hond er niet veel opjaagt, dan komen zij langs Janus de Mert op de Bergen, die heeft zeker weer opruiming onder de hazen van den dokter gehouden. Cis den Doove ziet, hoe de dokter die gedachte heeft.

— Ik loer met de oppassers en de marechaussees mee, om Janus de Mert te pakken te krijgen, zegt Cis den Doove.

— Ja, zegt de dokter. Die heeren uit den Bosch zijn van de oppassers gediend. Ik niet. Ge moet hen niet helpen. Als ge hem betrapt, laat het mij dan weten. Ik kan het zelf wel af.

Dat kon de dokter fluisteren, dan zou Cis den Doove dat nog wel verstaan. Cis den Doove keek naar den mond van den dokter.

— Maar ik krijg hem, zegt de dokter. Er komt toch een dag, dat ik hem krijg. Er zal mij niemand ontsnappen.

Nee, de hazen en de menschen ontsnappen hem niet. Janus de Mert stroopte de hazen van den dokter