is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poeiert onder hare trillende vleugels en 't wiegt in de zware draden. Bij de nonnekes wordt een klokje geluid, dit is zoo ijl in de vrieslucht, als hamerde een klepel aan helder ijs. Het paard van dokter van Taeke loopt zijnen draf. De damp sliert wit en wolkig uit den bek in de prille lucht. De dokter rijdt den Maasdijk af en gaat de binnenwegen langs. Op de rieten daken boven de boerenhuizen ligt een aangeveegd wit tegen de grauwheid omhoog. Uit de korte schoorsteenen stijgt de rookpluim, gebonden, gedrongen, krullend, dik en zich samentrekkend tegen de dunne lucht, die er geen vat op krijgt. De dorre boomen staan roerloos in den luister van de rijp. Op een boerenerf, waar de stilte kraakt van vorst, staan kippen te droomen bij een omgevallen in den grond vastgevroren emmer. Op den deel klopt een boer met een hamer tegen het ijzer van zijn gereedschap, dat hij herstellen moet. En naar de verten hangen fijn sluiers over den vlakken, wit bevroren polder. De rijen boomen langs de slingerende, hooge wegen worden onder de klare lucht donker en paars naar den gesluierden horizon. Elk geluid, het schampen van den hoefslag van het paard, de wielen en het grint, het is helder, hoog, ingewikkeld in de klaarheid van de luisterende, voelbare stilte. Dokter van Taeke, in zijn rijtuig, zit stil over het winterland uit te kijken. Hij zit goed warm in zijn pelsjas en geniet van den morgen als van een sterke verblijding.