is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wachten een paar boeren met hun kar. Zij schelden tegen Nardje de Wit, dat hij nog best over de Maas kan. Maar Nardje verdomt het.

— Gullie boeren zegt altijd, dat het nog wel kan. Maar ge hebt er geen verstand van. Ik zeg, dat het niet kan. En ik heb er wèl verstand van.

De boeren hooren nu allemaal het rijtuigske van den dokter als het den veerdam komt afrijden, het paard houdt stijf in, de berries dringen door de beugels der riemen. De boeren komen opzij van hun karren staan. Zij zwijgen ineens allemaal en wachten wat de dokter zal doen. Dokter van Taeke is uitgestapt. Hij komt langzaam naderbij getreden. Hij is geweldig met zijn pelsjas, hij treedt met zware beenen en komt bij het water. De Maas zit vol ijs. Het is prachtig om te zien. Het ijs danst, o, dat is een vroolijke dans. De schollen worden geheven. Zij schuiven over elkander. Zij glijden glad terug. Zij voeren rondedansen uit. De zon glinstert en fonkelt in dit stralende ruige witte spel, het ijs klotst botsend tegen den boord van de pont, hoopt er zich tegen op en glijdt klaterend terug. Dokter van Taeke heeft dit nauwkeurig bekeken. Hij komt nu bij Nardje den veerman en zegt:

— Nardje, ik wil er over, want ik moet aan den anderen kant zijn.

— Mijnheer den dokter, het spijt me, maar het kan niet.