is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treedt hoort hij den zachten donder van het ijs, midden in de rivier schijnt er geen beweging meer in te zijn, tusschen de kribben hoopt het zich met schotsen op, die slaan tegen elkander omhoog, blijven even rechtstandig staan en glijden terug. Naar het midden van de rivier, in het geloei van den stormwind, schijnt het ijs te gaan zwijgen, dan knalt het dof, een rateling, een scheur die geweldige grooteijsschotsen splijt. In het donker ziet dokter van Taeke aan den overkant een licht, daar is Dirk van Alem zeker weer met zijn lantaarn, hij wordt wanhopig, dat de dokter niet komt. Willem de koetsier en Nardje de Wit blijven bij het rijtuig staan kijken wat de dokter daar uitvoert. De dokter komt weer bij hen. In het hooge juilen van den wind hoort ge de ritseling van de jaagsneeuw die over de steenen van den veerdam jaagt. De mannen krijgen witte kleeren van de sneeuw. De dokter pakt nu uit het rijtuig de verlostasch en slaat den riem om den schouder, de zware tasch op de heup trekt den riem op den schouder stevig aan. De dokter kijkt over de rivier. Hij zegt:

Ik möèt er zijn. Dan ga ik alleen, te voet.

Hij gaat den dam af. Voor hun oogen neemt hij een sprong. Nardje de Wit gelooft niet, wat hij ziet. De dokter is op de Maas. Willem de knecht zal zich nooit verbazen over wat de dokter doet, en hij weet zoo uitmuntend te zwijgen. Hij grijpt zijn witgesneeuwde

Dorp aan de rivier

12