is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jongens, dat ze toch nog hazen aten, Cis denDoove had die laten bezorgen, die had ze gestroopt, dat waren onverdachte hazen. De jongens aten daar appelmoes bij en smulden stevig, zoo'n feest van eten was het niet dikwijls, nadien gingen ze met hun schaatsen de deur uit. Zij gingen naar de Wiel, dat was prachtig ijs, dat was dubbeltjes-ijs, daar zaten in het geaderde ijs honderdduizend muntjes van de luchtbellen van den snoek. De snoek hield zich rustig, hij had nu zijn winterslaap, in de zachte warme modder van de peillooze diepte. Maar de jongens van Tjerk van Taeke bleven niet lang op de Wiel, het werd hen daar te eng, te bekrompen. De Maas lag uren ver dicht, hier en daar waren banen gemaakt, natuurlijk was dat ijs met al zijn schotsen en schollen veel beter. Er was ook een overtocht gebaand bij den veerdam, nu kan dokter van Taeke gemakkelijk over de Maas, om nog eens naar de vrouw van Dirk van Alem te gaan kijken en haar te helpen. De jongens gingen nu de Maas op, daar stonden zij verloren. Zij zagen over die wijde bevroren vlakte. Ze bonden de schaatsen onder. Toen, voorover, de bezige knieën ingezwikt en met zwaaiende armen ondernamen zij een ontzaggelijken tocht. Zij reden achterelkaar. De kleinsten stonden nog wat scheef op de schaats, de voeten naar binnen. Maar ze lieten zich niet kennen en hijgden voor tien, om de grooten bij te blijven. Het was een felkoude, zon-