is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar Cis den Doove. Die zit daar maar onder zijn strikken en kijkt uit over de Maas. Hij let op reigers en eenden, op de karekieten en kieviten en op de schoone sneppen in de grienden en in de rietkragen. Hij let op de visch die hij in de Maas kan zien, de brasem of de bliek, hij gaat zitten visschen om wat in de pan te hebben. Zijn onsterfelijk hondje zit bi] hem. Cis zit zoo maar kalm en weemoedig aan het leven te denken, zijn goedige oogen, wat staan ze droomerig in zijnen kop. Natuurlijk denkt Cis den Doove nog wel eens aan die Tartaarsche vrouw, wat was dat hevig en van een brandende, zondige zoetheid geweest, het straalde in het armzalige arkje, het arkje was vol verleiding. Er komt nu beweging in de strikken boven den Doove zijnen kop, de woonark wiegt heen en weer, het hondje is opgesprongen. Het staat op zijn gespannen pootjes, het bromt in zijn keel en met korte rukken blaft het zoo'n beetje binnensmonds. Er is onraad. Cis den Doove verliest er zijn kalmte niet bij. De deur is opengegaan, de oppasser Beysens bukt zich onder het laag gebint, hij heeft in zijn eene hand eenen dooden haas langs zijn broekspijp bengelen en in de andere hand houdt hij een paar strikken.

Dat zijn jouw hazenstrikken, Cis den Doove,

ge bent er weer bij!

Verstaat Cis den Doove hem? Natuurlijk, maar Cis hoeft het niet te verstaan als hij niet wil, zijn doof-

212