is toegevoegd aan uw favorieten.

Dorp aan de rivier

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den uiterwaard beneden bij het water stapte een reiger langzaam vooruit, stond stil en steeg toen traag op. Aan den anderen kant lag de verre polder met de boomen, de canada's en de wilgen. En de iepen en de Amerikaansche eiken langs de hooge wegen. Heel in de verte doemde in nevelen het blauwe beeld op van Oss met het hoog silhouet van de groote kerk en den breeden toren.

Toen kwamen daar een drietal kerels uit den polder den dijk op. Ze waren moeizaam, voorovergebogen, den dijk opgekomen, toen slenterden zij langzaam over den dijkweg. Zij hadden zeker dat zonderlinge kereltje in zijn grijsgeruit pakje en met zijn grijze bolhoedje op in het oog gekregen. Zij hielden hem een beetje in het oog. Ze maakten een teeken tegen elkaar, toen zetten ze er den gang in. Wat waren dat voor kerels. Twee hadden een rooden doek als eene strop om den hals, de andere had een blinkend boordeknoopje in den hals van zijn boezeroen zitten. Zij droegen grijze petten, die zaten zeer scheef op hun hoofd, die hingen aan een kant heelemaal over het hoofd, het haar hing met een gekrulde lok onder de klep diep naar de oogen toe. Zij droegen die petten zeker zoo, om te laten zien, dat zij niet bang waren en dat zij voor veel dingen onverschillig waren. Dokter Rits hoorde de schreden achter zich, die voetstappen waren zoo nadrukkelijk. Dokter Rits voelde, dat het om hem begonnen was. Daarom hield hij wat in en