is toegevoegd aan uw favorieten.

Moeder ik sterf

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XX

In den post wachtten Willey en Frank hem op. Hij keek Frank aan. 'n Onbehouwen, stomme vlegel. ,,'n Pracht van een regeeringsbeambte ben jij," — zei hij sarcastisch, — „er is geen dorp meer bevolkt. Wanneer jij nog eens uittrekt, kunnen we met de heele kolonie verhuizen naar 'n ander stuk van Afrika."

Frank haalde zijn schouders op. Hij trok zijn salaris, en de rest liet hem koud.

Maar Willey sprong hem bij.

„Jij bent ook zoo'n negrophiel!" — zei hij, en vroeg naar zijn verloren geschenken aan de gevluchte negers.

„Je had 't groepshoofd gevangen moeten nemen; groepshoofd? ... 'n rooverhoofdman! ... Dan hadden ze uit zichzelf wel m'n spullen teruggegeven."

Monsen keek hem aan en grijnsde. Hij deed vertrouwelijk. „Ga ze zelf halen, Willey. De hoofdman heeft ze netjes voor je klaar gelegd. Wanneer je komt, zul je met open armen en met duizend negerinnen ontvangen worden. Maar als ze je opvreten, waarschuw dan, dat ze je ziel niet meevreten, want dan raken ze vergiftigd." Hun oogen haakten in elkaar; daarop vielen Willey's wimpers slaperig half dicht.

„Nog honderd tachtig man, beste kerel!" — zei hij in 'n geeuw.

In een rapport meldde Monsen de vlucht van de grens-