is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ONTVANGST IN DE SNEEUW

Den Zondag daarop bracht kapelaan Aigner weer zijn maandelijksch bezoek op het kasteel. Doordat hij ziek was geweest, had hij het twee maal moeten overslaan, en zijn gelaat droeg nog de sporen eener lange bedlegerigheid.

Hij was gewend om hier gul en hartelijk ontvangen te worden, maar dezen keer verried de majoor een zoo onomwonden blijdschap over zijn komst, dat er in den ontroerden, jeugdigen geestelijke bijna iets als argwaan ontwaakte: was men zóó blij, den Zondag niet alleen te moeten doorbrengen? Onder de mis nam hij in stilte een besluit. Het voornemen sluimerde eigenlijk reeds lang in hem, maar nu voelde hij, dat de tijd rijp geworden was. Straks na tafel

Ook op de boerderij heerschte vreugde over 's kapelaans genezing; ieder mocht hem graag, en het viel moeilijk te zeggen of men nu eigenlijk in de eerste plaats uit égards tegenover den slotheer, uit religieuze behoefte, of om kapelaan Aigner een pleizier te doen steeds zoo voltallig in de kapel verscheen. Twee dagloonersjongens fungeerden als misdienaars; Magdalena Eisengruber bespeelde het reeds ietwat amechtig piepende orgeltje (zij was een steedsche, dochter van een koster); het ging alles wat primitief toe, maar men voelde zich door de vertrouwde intimiteit van dezen maandelijkschen dienst toch vaak dieper gesticht dan door een Hoogmis in de dorpskerk. De meiden, allen zonder het zelf te weten min of meer verliefd op den jongen geestelijke, wien ze liever hun zonden biechtten dan den ouden pastoor, waren voldaan als ze hem weer eens in zijn prachtig misgewaad als bemiddelaar Gods gezien hadden. Kapelaan Aigner liet door de beide jongens, die hem geassisteerd hadden, zijn toog opvouwen en de kaarsen dooven, drukte hun ieder wat in de hand en volgde zijn gastheer naar de bibliotheek, waar zij samen vóór het middagmaal eerst nog een glas ouden Tokayer dronken.