is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar Josef was te onthutst om de wenken van zijn meester op te merken. De beide kellners uit Klagenfurt schoten toe met de gretige haast van restaurantpersoneel, dat goedverterende, licht beschonken gasten uit de hoogere klasse ziet binnenkomen.

Werkelijk, wat kon het Georg schelen of zij op hun weg hierheen misschien reeds voorpret gehad hadden over de poets, die zij hem meenden te kunnen bakken? Hij voelde zich zooveel sterker dan zij met hun vieren. Niet alleen omdat hij hen gemakkelijk de deur uit had kunnen laten zetten, desnoods zelf ingrijpend, tezamen met zijn vriend Otto, die daareven slechts op een woord van hem wachtte. O, neen. Maar hij had zijn zoon. Tegen den tijd, dat zij alle vier eenzaam en jichtig aan den haard zouden zitten, met als laatste gezelschap nog slechts het spook van den door het sleutelgat loerenden Dood, zou hij, nog ongebroken naar ziel en lijf, met zijn mangeworden zoon door de velden rijden en de vier seizoenen in Gods Natuur beleven.

Freiherr von Hagel, overmoedig geworden door het slagen van de grap (want hier zaten zij dan toch maar gevieren als gast op Maria-Licht), riep hem iets toe: „En hoe heet de jongen, buurman?"

„Rudolf Otto von Weygand, buurman."

„En kunnen wij hem niet eens zien? Moest hij hier, als de hoofdpersoon van het feest, eigenlijk niet mee aanzitten?"

„Mijne heeren, hij verkiest nu nog de festijnen, die slechts zijn moeder hem bieden kan! Maar ik noodig u alle vier uit om hier over twintig jaar nog eens Oud en Nieuw te komen vieren - dan zal hij stellig van de partij zijn."

O, dat waren trotsche woorden; de nieuwe gasten keken er even van op. Slechts Freiherr von Hagel riep dapper: „Accoord! Daar drink ik op!"

„Verslik je vooral niet in dien dronk!" waarschuwde een zijner vrienden. En een ander stelde met bonhomie voor: „Laten we, bij afwezigheid van den zoon, met zijn vader klinken, die nog twintig jaar vooruit zijn afspraken maakt!"

Dan wist Georg echter nog wat beters: „Laten we dan liever zijn bet-overgrootvader toeklinken, die daar van den schoorsteen op ons neerkijkt - hij heette ook Rudolf. Als zestigjarig cavalerist vocht hij onder Blücher tegen den keizer der Franschen, en misschien zou hij hier vandaag nog mee aangezeten hebben, indien een verdwaalde kanonskogel bij Quatre-Bras het niet anders gewild had!"

„Is je zoon naar hem genoemd, Weygand?"

„Neen, hij is in rechte lijn naar zijn grootvader genoemd, die