is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrikte ieder af. De Italiaansche conducteur, die in den nacht argeloos de kaartjes kwam knippen, sloeg met een „Madonna!" op de lippen de deur weer dicht en was blij, het er levend afgebracht te hebben; Georg moest het incident den volgenden morgen met een vijflirestuk ongedaan maken. Bismarck beschouwde dit kleine kamertje reeds als zijn meester's domein, dat verdedigd moest worden tegen mannen met zware dienstlaarzen aan en in het duister glimmende uniformknoopen...

De portier van het hotel te Nice schrok niet toen hij deze gasten uit Oostenrijk verwelkomde, die eerste klasse reisden en het ook aan de riviera niet buiten het gezelschap van zulk een voorwereldlijk dier konden stellen; hij wenkte alle kruiers, die in zijn buurt stonden en bezat den moed Bismarck als een ouden vertrouwde over den kop te streelen. In het hotel meldde zich later, behalve een kamenier, een kinderbewaakster en een linnenverzorgster, ook nog een neger aan, die met het verzorgen van de honden der gasten belast was - Bismarck's haren vlogen recht overeind, en Rudi, eveneens voor het eerst een zoo zwarten man aanschouwend, riep woedend van angst: „Ga weg, Krampus!"

Georg had op de eerste étage een appartement genomen, dat op zee uitzag en op de breede promenade met de palmen. Maria, die nooit het zuiden had gezien, stond met Rudi aan haar hand tegen de marmeren balkon-balustrade en nam zelf het beeld door de oogen van een kind in zich op.

Gevieren - Rudi mocht Bismarck aan de lijn houden - wandelden zij langs de promenade en door het stadspark, waar om elf uur een militaire kapel Verdi en Wagner speelde. Ze dronken de namiddagkoffie in hun hotel, waar terwille van het Weensche orchestje veel Oostenrijkers bijeenkwamen. Spoedig kende men hen: den ouderen man met zijn officiershouding, zijn jonge droefgeestig-lieve vrouw, het blonde jongetje en den onmenscheüjk grooten dog. Later zou er als vijfde nog een in dracht gekleede Provengaalsche bij komen, die in het plantsoentje slaafs achter Rudi aanliep terwijl Georg en Maria ergens rustig van de heerlijk koesterende zon konden genieten. Georg ontcijferde daarbij den „Petit Nifois" terwille van de telegrammen over den JapanschChineeschen oorlog, en Maria staarde onder den kanten rand van haar parasol in het groen der palmen, luisterde naar de verre loome branding der zee, voelde zich wonderlijk opgenomen in al dit licht, deze warmte, in de gloeiende fonkeling der zonbeschenen bloemen om haar heen. Toch bleef er in haar een vage pijn, die zij ook hier niet zou overwinnen.