is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Georg maakte rijtoertjes met haar, woonde geduldig de mis bij in de Sainte Réparate, bracht haar naar Monte Carlo, waar zij vijftig francs van hem verspelen mocht, wat zij dan ook deed. Mama vroeg uit Graz om een foto van Rudi in zijn matrozenpakje, en zoo werd er dan dus naar een fotograaf gegaan, die - de wenschen van zijn clientèle vooruitziend - een roeiboot in zijn atelier had staan met als achterscherm een bewogen zee. Hij stelde er zich een origineel resultaat van voor wanneer ook de groote hond in de boot plaats zou nemen, maar hij voorzag daarbij niet hoeveel geduld er voor noodig zou zijn om Bismarck gedurende enkele noodzakelijke oogenblikken stil te krijgen. Georg ging intusschen een krant koopen, maar Maria hield vol tot de opname gelukt was; in haar ijver bemerkte zij niet hoe bitter de fotograaf zijn lichtzinnig voorstel betreurde; zij dacht er slechts aan met hoeveel blijdschap en spanning mama het pakket met de foto zou openen...

Bij de kiosk waar Georg zijn krant betaalde trof hij een Weenschen Ulanen-overste, die hem en Maria nog dienzelfden middag bij een internationaal gezelschap introduceerde, dat voor het meerendeel uit oude riviera-habitués bestond: Russische bojaren, Hongaarsche grootgrondbezitters, een Kaukasischen prins, een paar Oostenrijksche graven en nog wat willekeurigen toeloop, zooals een Zuidafrikaanschen diamantveldeneigenaar, een Argentijnschen hacendado, een New Yorksch joodsch bankier. Dit gezelschap amuseerde zich hier door avond aan avond in het casino te spelen, bij afwisseling naar een gewaagden cancan te gaan kijken en voor de rest op Frankrijks vrijen bodem, los van nationale of andere vooroordeelen, over alle denkbare onderwerpen te discuteeren. De toon schreef daarbij voor, zich vooral nooit boos te maken wanneer men iets minder prettigs over eigen land en volk te hooren kreeg, ja, men toonde geest en cultuur door daarin zelf voor te gaan. Georg hoorde het - meerendeels in het Fransch gevoerde discours verwonderd aan. Hij begreep deze menschen niet goed: wie vroeg eigenlijk van hen om hun volk en hun land zoo cynisch prijs te geven? Bestond voor hen werkelijk alleen nog maar hun persoonlijke adellijke titel en hun geld? Oprechter scheen hem het onderling verstaan tusschen den joodschen bankier en den Zuidafrikaanschen diamantmagnaat, zoodra de Parijsche kranten belangrijke beursberichten brachten. Voor zoover al deze heeren niet over politiek of finantiën spraken, over de Armeensche gruwelen onder den „bloed-sultan" Abdul Hamid, over den Mahdi en zijn razende Derwischen, die Engeland in den Soedan zooveel last