is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de kinderen voelde Angélique zich het diepst verlaten; Liesbeth begreep, dat zij zich over haar ontfermen moest. Daar mama thans geen les kon geven, stelde zij rekensommetjes voor haar zusje op en schreef haar woordjes voor, die Angélique dan met onzekere hand natrok. Zij praatte met haar, troostte haar, nam haar 's nachts bij zich in bed. Tot Angélique al haar aanhankelijkheidsgevoelens van Stephan op haar overdroeg, met dezelfde gepassionneerde overdrijving waarmee ze haar vroeger wel gehaat en geattaqueerd had.

Liesbeth verheugde zich over haar overwinning, al was het al te hartstochtelijke in Angéüque's genegenheidsbetuigingen haar niet altijd aangenaam; haar jongere zusje kon zich 's nachts soms plotseling zoo wild en vertwijfeld aan haar vastklemmen. „Wat is er?" vroeg Liesbeth dan verschrikt. „Denk je aan Stephan?" Angélique gaf slechts een stamelend antwoord. Neen, zij dacht niet aan Stephan, maar zij hield zooveel van Liesbeth; zij kon er niets aan doen, dat zij zooveel van Liesbeth hield.

Deze sprak soms met Rudi over haar; Rudi nam het niet zoo ernstig op; hij moest er zelfs om glimlachen. „Ja, ik weet het wel, ze doet soms wat raar," gaf hij toe. Hijzelf had zooiets rustigs en verstandigs; als Liesbeth zich door alles, wat er gebeurd was den laatsten tijd, eens wat zenuwachtig en ongelukkig voelde, behoefde ze alleen maar naar Rudi te gaan; dan werd het dadelijk al wat beter.

Eén ding verontrustte haar in Rudi. Als zij aan Angélique vertelde hoe Stephan het nu in den hemel had, zag ze hem daar in gedachten zelf staan in zijn witte nacht-hansopje, temidden van een heerlijken gouden lichtvloed, met zijn groote donkere oogen luisterend naar wat God hem en al den anderen engeltjes vertelde. Met dit door een serafijnsche muziek omruischte beeld kon zij vrede vinden, al bleef er een zacht schrijnend verdriet in haar achter: dat zij Stephan nu 's ochtend nooit meer wasschen en aankleeden mocht, zijn druk fantaseerende stem niet meer hoorde, hem bij het gezamenlijke uitrijden niet meer op zijn pony vooruit zag stuiven.

Maar zij verdacht er Rudi van, dat hij niet, zooals zij, aan deze troostrijke bovenaardsche voorstelling geloofde. Ze kon het niet laten, er hem op een keer naar te vragen. Aarzelend keek hij op. „Ik zou er wel in willen gelooven," zei hij trouwhartig. „Maar als ik het me dan goed voor oogen probeer te halen, denk ik ineens: neen, zoo is het toch vast niet. Dat is trouwens toch niets voor Stephan. Die wilde altijd graag iets doen wat niet mocht;