is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

religieuze gemoed haar in den waan kunnen brengen, dat God haar in haar jongste een nieuwen Stephan had geschonken. (Wel moest het dan ook weer een jongen zijn, maar het kwam niet in Georg op om daaraan een oogenblik te twijfelen - hierin uitte zich nu %ijn vast geloof in de Goddelijke Voorzienigheid.)

O zeker, het was verkeerd van hem geweest om het uit te spreken, maar ziedaar, hij bereikte er toch wat mee. Hij bereikte er op z'n minst mee, dat Maria's gedachten, in bitteren toorn tegen hem ontbrand, althans gedurende een oogenblik niet vruchteloos om de herinnering aan haar dooden jongen dwaalden. En hij bereikte nog meer. Hij had haar niet kunnen dwingen om aan haar drie overlevende kinderen te denken, maar aan het kind, dat alleen nog maar in zijn gedachten bestaan had, begon zij nu op haar beurt te denken; het liet haar niet meer los. Op een avond, dagen later, in een bui van plotselinge verteedering en hulpbehoevendheid, terwijl het stil in de kamer was en zij getweeën bij elkaar zaten, overviel Maria haar man zonder eenige inleiding met de vraag:

„Zou jij het dan graag willen?"

Natuurlijk wist hij dadelijk waarover zij sprak. Zijn hart bonsde hem in de keel. Zoover had hij nog niet eens gedacht: of hij zélf misschien ook graag weer een anderen jongen in de plaats van Stephan zou willen. Zijn quartet, zijn wreed verstoorde droom tenminste in schijn weer hersteld! O, misschien was hij wel zwak genoeg om dat nog graag te willen. Maar wat deed dat er toe. Hij matigde zich niet het recht aan om voor zichzelf zooiets nog van Maria te vragen; nooit zou hij de verantwoording daarvoor durven dragen.

Hij zei het haar, rustig, met een goed geweten. Zij luisterde, nerveus, ongelukkig.

„Maar geloof jij dan, Georg, dat zooiets mogelijk is? Dat, als er nog een jongen geboren zou worden... en we noemden hem weer Stephan... en ik zou al dien tijd, dat ik hem verwachtte, aan Stephan denken... geloof jij dan... ?"

„Het gaat er om, of jij het gelooft," zei hij.

Haar oogen zochten angstig de zijne. „Als ik wist, dat het voor jou nog een nieuw geluk zou kunnen beteekenen..." aarzelde ze, hunkerend naar zijn steun. O, waarom was hij zoo dom om dit niet te begrijpen.

Hij maakte een onhandig afwerende geste. „Maria, ik heb je daareven al gezegd..

Ze luisterde nu maar niet meer naar hem. „Er is nog iets anders,"