is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding aan; hij verklaarde zich bereid om zijn vrouw desnoods alles af te dragen wat hij verdienen zou, maar terugzien wilde hij haar niet meer. Over zijn kind schreef hij niet eens. Het was duidelijk, dat hij onder den invloed van een andere vrouw stond; nu lekte trouwens uit, dat hij jaren lang clandestien met een weduwe had gecorrespondeerd, die van eigen inkomsten teerde, zoodat hij gemakkelijk had kunnen beloven, Trudi zijn heele maandloon te sturen (zou hij nog wel gaan werken?). Trudi gaf Anna te verstaan, dat zij zich van het leven wilde berooven; Anna riep de hulp van den majoor in; Georg had echter in vroegere gesprekken Trudi's onhandelbaarheid al moeten ondervinden; hij wist ook niet hoe haar aan te pakken. Maria zou hem nu moeten bijstaan, maar hij wilde haar van dit alles liefst zooveel mogelijk onwetend houden. Toen bracht Frieda redding; zij sprak met Trudi en zei later met de sereniteit, die haar nooit verliet: „Ze had alleen maar noodig om eens heelemaal tegenover iemand haar hart uit te storten. Het is niet te verwonderen, dat ze 'n oogenblik in ernst aan zooiets vreeselijks heeft gedacht..."

. Van dit gansche drama drong onvermijdelijk ook iets tot de kinderen door. Josef was weg, en Trudi zat in de keuken te snikken. De kinderen konden niet begrijpen hoe Josef daartoe in staat was geweest: eenvoudig maar bij zijn vrouw weg te loopen. Zeker, Trudi had vaak tegen hem gemokt en hem het leven zuur gemaakt, en dan waren Josef en zij met kwade gezichten langs elkaar heen geloopen, maar...! Ze trachtten Trudi te troosten door haar te zeggen, dat Josef toch vast en zeker nog spijt zou krijgen, maar Trudi schreide slechts; in haar smart liet ze zich gaan en snikte: „Neen, hij komt niet meer terug! Hij heeft daarginder immers 'n andere zitten! Hij laat me stikken, met mijn kind!"

„Met je kind...??" vroeg Liesbeth ontzet; zij meende, dat Trudi nu wartaal begon te spreken. „Ach, hoe zouden jullie dat ook al kunnen begrijpen," verzuchtte Trudi. „Je zult het zelf wel zien als je groot bent." Ineens vlamde haar woede op, en zij vergat zich opnieuw: „Als m'n kind er is, ga ik er mee naar Weenen! En als hij ons dan nóg den rug durft toekeeren, dan... dan kan hij er op rekenen... dan gooi ik 'm vitriool in z'n gezicht!!" °

De kinderen wisten niet wat vitriool was, maar zij begrepen nu, dat Trudi een kindje ging krijgen. Dat op zichzelf hield niets bevreemdends meer in, want ook mama had het immers tevoren geweten; slechts het blijkbaar onafwendbare ervan verbijsterde