is toegevoegd aan uw favorieten.

Kasteel in Karinthië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ste en begeerlijkste meisje, dat ik ooit ontmoet heb, in mijn waken en in mijn droomen. Het is of ik haar al gezocht had nog voor ik Arnim kende. Ik zal weer vechten om haar te veroveren wanneer me daartoe nog de kans geboden wordt. Niets zal me kunnen afschrikken, niets, niets uit haar verleden. Misschien zal ik inmiddels sterker zijn geworden, en misschien heeft het leven haar dan teleurgesteld en verzwakt..

O, Liesbeth begreep haar broer beter dan zij wilde toegeven. Zij begreep alles wat hij haar gezegd had. Zij had het in Weenen al gezien. Rudi was zoo eentje, die maar eenmaal zijn liefde schonk. Maar ergeren deed zij zich toch, natuurlijk, als zij het moest aanzien hoe haar verafgode broer, die elk meisje kon krijgen dat hij maar wilde, zich liet verstooten en tarten door een onwaardige. En in haar ergernis, in haar vrouwelijk begeeren om Vera op haar eenig kwetsbare plek te verwonden en in Rudi's oogen te ontluisteren, vroeg ze: „Vind je haar werkelijk zoo mooi? Ik beweer niet, dat ze leelijk is, maar jij hebt misschien nooit gezien met wat voor kunstmiddeltjes..

Ze hield reeds uit zichzelf op; Rudi's gelaat nam een uitdrukking van pijn aan. „Niet doen, Liesbeth," zei hij zacht. „Het helpt je toch niet, wat je ook over haar zegt. Ik heb wel gezien, dat ze zich opmaakt, maar het hoort bij haar, en zooals zij het doet, bevalt het mij; ik bewonder haar ook daarom. Ik vind haar mooi - laat me dat ongestoord zeggen."

Neen, er was niets aan te doen; Liesbeth twijfelde daar nu niet langer aan. „Goed, als je zelf toegeeft, dat ze zich opmaakt," mokte ze nog na. „Maar laat mij je dan voor het laatst tenminste nog eens verzekeren, dat er op de wereld méér mooie meisjes zijn behalve zij. Ik hoop, dat je er nog eens een ontmoeten zult, die in je oogen genade kan vinden en die het wat beter met jou meent!"

„Hier zit er zoo eentje," zei hij en glimlachte alweer.

Zuchtend richtte zij zich op. „Nu, ik zal je nou nog maar even laten rusten." Een gedachte, die haar vluchtig door het hoofd gegaan was: om Hilda Althofer hier een paar dagen te logeeren te vragen, gaf zij nu maar op. Het zou onnoodig wreed zijn tegenover Hilda zelf. Terwijl ze de kamer verliet, was er nog even een vreemde ontroering in haar over Rudi's dwaze compliment. Zij wist, dat hij het gemeend had; haar broer vond haar mooi. Eens zou zij er nog blij der mee zijn geweest, zich mooi te hooren noemen...

In de bibliotheek trof ze papa nog met hun gast van vanavond.