is toegevoegd aan uw favorieten.

De biecht van een bezetene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We waren onrustig als misdadigers, er zouden vele borrels noodig zijn. Maar ik tikte met mijn potlood tot aandacht, ik verwierp plotseling die heele castratiegedachte van oom Barend en sloot mij bij den moeden zwerver aan, met zijn primitief gevoel voor juiste verhoudingen, ook die van straf tegenover misdaad."

,,Ik zal hem dwingen te vechten," zeide ik, ,,ik zal hem ergens ontmoeten en hij zal daar blijven."

,,Uwes wilt hem dus koud maken," riep Arie ontzet, „dat is waarachtig nog erger."

„Dan zal ik het doen, ik zal eerlijk met hem vechten," zeide Karei op een killen zeer beslisten toon.

„Jawel een tweestrijd, een duel," hoonde Arie, „datje ook verliezen kunt, edelmoedig meneer, maar stom, bar stom."

„Edelmoedigheidpasthier hetminst," zeide ik tot Karei, en tot Arie, „we kunnen hem toch zes weken ziekenhuis geven en een gedachtenis, die hem zijn leven bijblijft?"

„Daar heb ik plezier in, Paul," want Arie mocht mij Paul noemen en dat deed hij als wij samenstemden, „daar wil ik beslist als handlangertje van meneer Karei bij zijn. Ik heb dat meer bij de hand gehad zoo onder onze soort menschen en zal niet zenuwachtig worren."

„Daar drinken wij op, vrienden, op onze gematigheid drinken wij en de duivel hale jullie, als jullie werk te slap en on-af is."

„Pas op, je beleedigt me!" riep Arie, maar Karei van Amerongen zag mij maar even met een ironisch lachje aan, neen, ik kon mij op hem best verlaten...

De sombere beklemming was geweken van ons, er was een pittige voortstuwende kracht voor in de plaats gekomen en die wierp mij aan den kant, en ik kon afwachten wat hij zou doen met mijn hand of die van Karei of Arie naar het zoo uitkwam.