is toegevoegd aan uw favorieten.

De brug

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

djimat beschikken, dat hij dat, na alle tegenwerking van vroeger, nog maar steeds alleen af kan."

„Alleen maar jammer, dat hij geen orang Islam is."

Fetter bedankte een ieder, die daarvoor in aanmerking kwam met een handdruk en een paar vriendelijke woorden, gaf Sastro opdracht het districtshoofd terug te brengen met den eenen wagen en reed toen langzaam met den anderen naar huis. Vlug rijden ging niet, want die vervloekte wagen wilde niet midden op den weg blijven. Morgen eens nakijken.

„Zij hebben je willen tjintjangen, fijn hakken, niet?" vroeg de Zonde, terwijl hij zich aan het kleeden was, na een uitgebreid bad.

„Ja, het leek er wel op."

„Er wordt druk in de kampong over gesproken. Maar zij durfden niet, toen het oogenblik daar was."

„Waarom niet? Ik had niets kunnen beginnen tegen die lui."

„Dat weet ik niet. Zij zijn er nu eenmaal van overtuigd, dat jij een heel sterke djimat, talisman, hebt, die direct begon te werken, toen zij je wilden aanvallen. En daarom konden zij niet."

En daarmee was haar belangstelling afgeloopen. Zij had zoo'n onbeperkt vertrouwen in haar toean, dat het niet in haar opkwam, dat hem iets zou kunnen overkomen.

Fetter glimlachte: om de tegenstelling tusschen haar gedachten en zijn gevoelens, welke laatste zeer zeker niet die waren van een held, of van iemand, die er van overtuigd is, dat hij alles en iedereen de baas is. De Zonde, die zag, dat hij ironisch glimlachte, merkte onder het weggaan zoo terloops nog op:

„Indertijd, toen je alleen tegenover twee honderd menschen stond, die dien speler wilden afmaken, is je toch ook niets gebeurd. Toen heb je toch ook alleen dien man gered en de menschen naar huis gejaagd. En dat was nog wel in den nacht. Zal ik vast thee voor je inschenken?"

Het gaf hem het gevoel van eenzaamheid: zich als eenling te zien in de oogen van anderen. En dan te weten, dat zoovelen hem zoo zagen.