is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken," zei de veldwachter „kom jij dan over een uur maar mee."

Elsje zei snel : „Daar kom ik ook mee naar 't dorp, als je trein weg is Gerjan, ga ik dan met Rouke mee terug."

„Kan niet beter. Maar dan moeten we nu gaan, anders is er geen tijd meer over om te praten."

Het meisje en de twee jongens gingen naar de wachtkamer. Elsje Katrina nam thee, de jongens koffie.

„Moet je hooren," begon Rouke geheimzinnig : „Ik ga naar de paters !"

Elsje keek opeens onthutst naar hem, Gerrit-Jan zette verbaasde oogen op.

„Begin nou weer niet direct zoo ijzig te doen 1" zeide hij, half-lachend.

„Ijzig ? 't Is zoo waar als ik leef 1" antwoordde Rouke.

„Wat moet jij nou bij de.paters?"

„Leeren varen. Ik ga op een boot. Naar zee."

En nu vroeg Elsje het, zoo dringend ze kon :

„Maak nu geen gekheid Rouke, vertel het nu gewoon."

„De advocaat heeft ervoor gezorgd. Hij kent een pater in Rotterdam, een haven-aalmoezenier zooals ze dat noemen, die altijd op de schepen zit. Daar moet ik naar toe, dan zal hij zorgen, dat ik op een schip kom. Ik mag lijden, dat het een fijne boot is, menschen. En vader krijgt misschien een baan als concierge op een groot advocaten-kantoor, bij een vriend van mijn advocaat, ook in Rotterdam."