is toegevoegd aan uw favorieten.

Tweesprong

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik had nog graag de machinekamer gezien," zei Rouke hierop.

„Je zult een betere te zien krijgen. Als je daar een goed oog voor wilt krijgen, moet je den eersten keer ook een werkelijke machine-kamer zien, niet een hok, waar wat oud-ijzer ronddraait."

Zij volgden het grillig beloop der kade, langs de vele inhammen der losplaatsen. Het was harder gaan waaien, er hingen geuren van copra en koolteer in de lucht rondom. Over een kleine landtong, aan het eind waarvan een breede steiger in de rivier stak, kwamen een aantal menschen aan ; hier was de aanlegplaats van een der ferry's, die heen en weer voeren van den eenen Maas-oever naar den anderen. Iets verder lagen de hooge elevators, voor de machtige graanpakhuizen. Rouke had ze al uit de verte gezien ; hier zag hij ze dan in werking van vlakbij. De krachtige zuigers staken diep in het scheepsruim, daaruit steeg in een dichte wolk het goudstof op, dat zich verspreidde op den wind, hoog boven hunne hoofden, waar de geweldige zuigbuizen voortliepen tot binnen in de silo's ; verscheidene naast elkaar.

Daarna, op een volgend terrein, kwamen ze aan een groot ijzeren hek, dat openstond. Ook hier kreeg de pater zonder moeite toegang.

„Zijn de jongens op de nieuwe boot bezig, Nico ?" vroeg hij aan den portier.

„Ja eerwaarde," antwoordde de man kort.

„Hij is niet spraakzaam," zei pater Vrolijk tot Rouke, „maar dat is een van die kerels, waar je nog altijd van