is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boes urenlang te kijken naar de sawah. Vuurvliegjes zweven, als duizenden dwaallichtjes, die aan en uit gaan boven het stille water, waarin de maan weerspiegelt. In de verte staat roerloos de Merapi, blauwzwart afgeteekend tegen den verlichten avondhemel. De nachtwind brengt droeve gamelangtonen en sterke bloemengeuren. Krekels sjirpen hun nachtmuziek, „kri-kri-kri" uit het gras, de hagen en struiken. Waar zijn ze toch, die kleine zangers ? Ze schijnen overal te zijn en nergens. Denkt Timboel vlak bij te zijn om er een te vangen, dan is het stil. En loopt hij verder, dan begint het weer „kri-kri-kri", als om hem te plagen. Krekels vangen kan hij niet, dus gaat hij maar weer naar zijn vader om te kijken en te luisteren.

Op een der erven wordt rijst gestampt. Eentonig klinkt het rhythme van de stampers op het rijstblok, begeleid door jonge vrouwenstemmen. Timboel weet, dat zijn broer erbij zal zijn. Met groote oogen zal Hardjo kijken naar de mooie Latiah, die hem onder het stampen glimlachend tegenlonkt. Haar witte tanden zullen glinsteren in het maanlicht. De padi ontbolsterend speelt ze met haar zuster het spel van zang en rhythme, dat den verliefden Hardjo naderbij gelokt heeft.

„Misschien zal hij wel met haar trouwen," denkt Timboel. Maar daar hoort hij in de verte de stem

8