is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII

BEDEVAART

Voor zonsopgang rijdt een grobak, de Javaansche tweewielige ossenkar, door de in diepe rust verzonken onderneming. De fabriek is gesloten. Bij den hoofdingang brandt nog een licht in den ochtendschemer. Een eenzame waker, in khaki uniform, de bloote voeten in schoeisel gestoken, stapt met langzamen tred heen en weer.

„Waarheen?" vraagt hij den vroegen voorbijgangers.

„Naar Kota Gedeh," luidt het antwoord van buurman Wirio, die een karlading suikerriet-stekken vervoert en zijn vrouw en ook Timboel heeft meegenomen.

De grobak, getrokken door roomkleurige, trage sappies met zwart omrande droomoogen en klingelende bellen aan de bultige halzen, schommelt krakend verder: tusschen rietvelden door, langs sawah's en ontwakende kampongs. Bij de open dessapoorten worden de warongs gereed gemaakt: vruchten, eet- en drinkwaren uitgestald.