is toegevoegd aan uw favorieten.

Timboel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV

TIMBOEL'S EERSTE REIS

„Tabeh, Toewan! Slamat djalan, Toewan," roept met schorre stem de beo, die in een kooi onder den manggaboom op Djait's erf gevangen zit. Fel geel is de naakte lel op den kop van den zwarten vogel en oranje, als de opengesneden papaja, waaraan hij zich te goed doet, is zijn snavel, die al pikkende in het sappige vruchtvleesch verdwijnt.

Onder het afdak van zijn huis zit Djait achter zijn naaimachine met handen en voeten een gordijn te zoomen. Een koperen tabaksdoos en wat gedroogde blaadjes van maiskolven heeft hij naast zich liggen, om zich zoo nu en dan eens een strootje te rollen. „Wat heb je daar?" vraagt hij, als hij over zijn brilleglazen heen Timboel in de deuropening ontdekt. „Flanel, van 'Ndoro Njonja, Mas Djait, om een baadje voor mijn moeder en nog een baadje en een broek voor mij uit te maken."

„Dure stof," zegt Djait, het goed met een kennersblik bewonderend. „Hoeveel kost het wel per meter?"