is toegevoegd aan uw favorieten.

Hotel "De Springende Baars"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOTEL „DE SPRINGENDE BAARS"

XXI

In de torenkamer op de Vreesewijck zaten zeven personen bij elkaar.

Het waren: de Baron, zijn nichtje Ruth, meneer Kool, meneer Schandevel, Madame Thérèse, Mevrouw Krol en Wenzel, de poortwachter.

Het was half twee in den nacht.

De dames en heeren waren zeer opgewekt, ze dronken champagne, rookten havana's en sigaretten; terwijl er op de tafel een paar groote schotels stonden met caviaarbroodjes, canapé's d'anchois en aantrekkelijke hompjes pittig-hartige Roquefort.

De heeren waren geenszins in avondkleeding, zooals men bij een zoo genoegelijk samenzijn zou kunnen verwachten; misschien hadden ze wel iets van dien aard aan, maar daar was dan toch niets van te zien, wijl ze allen blauwe overall's droegen; de dames echter waren gewoon gekleed.

Verder was er alleen dit opmerkelijke, dat de heer Kool twee blauwe oogen had, het rechtsche was in de donkere zwelling niet veel meer dan een tranend spleetje, meneer Schandevel had er ook een, maar droeg een groote roze pleister op zijn voorhoofd in de buurt van zijn slaap; van de dames was alleen Madame Thérèse gekwetst, haar gezicht zat vol krabben; ze droeg haar rechterarm in een mitella en over haar neus was een lange roze pleister gekleefd, welke strekte van de eene wang naar de andere.

„Kijk eens," sprak de Baron, „ik geef dadelijk toe, dat er iets lichtelijk onbehagelijks in onze situatie is