is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elementen met ontzag. De straatjes liggen leeg; aan de haven heerscht stilte; om Top is het verlaten; geen rijder bindt z'n schaatsen onder aan de Staart. Verlaten schijnt het eiland. Zooals in de ijstijd de holbewoners zich bij winterdag verscholen in hun holen, zoo hebben de 3300 Urkers, die deze berg in zee bewonen, zich teruggetrokken bij gloeiende kachels in hun kleine huisjes.

Eindelijk luwt de wind en klaart de lucht. De storm gaat over in een fijn oostenwindje. De Februari-zon ontstijgt een klare kim en loopt haar rijzende baan. En nu herleeft het eiland weer.

De Urkers zien het wonder dat de winter heeft gewrocht. De zee is geworden tot een imposante ijswoestijn, wier tinten loopen van verblindend wit tot glanzend zwart. En rondom zijn bergen, witte bergen met ruige zijden en wilde pieken. Ze torenen omhoog aan de randen van de Val, in de Lemsterkoers en in de richting Kampen. De storm heeft de losse schollen tegen de randen van de platen opgejaagd. Hooger en hooger zijn de kruiende schotsen geklommen. En daarna heeft de vorst zijn druipend materiaal aaneengesmeed.

In de fijne, scherpe winterlucht, waaraan de zon de kilte ontneemt, wandelen de Urkers uren over zee, beklimmen ze de bergen. De ijspret, die op het brokkelige scheurijs van de Staart was uitgevierd, begint op de spiegelgladde Val-baan van nieuws af aan.

Het isolement knelt echter sterker dan ooit. De ijsvlet op Kampen is nog altijd het eenige middel van verkeer. Tweemaal per week komt er een roeiboot vol post en levensmiddelen. Maar wat beduidt de lading van zoo'n schuitje voor 3300 menschen?