is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zielden tot de stoutste daden, nóg leefden in de Nederlanders, zou moeten worden onderbroken. Colijn aanvaardt die consequentie.

Van de voltooiing van de afsluitdijk wil hij echter onder geen beding afzien. Deze moet onder elke voorwaarde tot stand komen. Maar is de regeering van oordeel dat het onder de huidige omstandigheden onverantwoord is om de droogmaking der andere polders ter hand te nemen, dan legt hij zich daarbij neer.

En zoo valt het besluit, dat de Zuiderzeewerken zullen worden stilgelegd, na de dichting van het laatste sluitgat bij de Vlieter en de voltooiing van de dijk.

Dit treft Urk als 'n donderslag. Erger onheil is niet denkbaar. De zee gaat weg, en er komt geen land voor in de plaats! De visschers zullen hun visscherij verliezen, en de middenstanders zien tevens hun plannen vervliegen in rook.

De kastelein van de Willem Barendsz jammert over zijn duur gebouw; Kramer over zijn huisjes; de bakkers en de schoenmakers vragen zich af, hoe zij hun zware hypotheken ooit zullen kunnen dragen, en wethouder Rijkholt is onrustig, over al het geld, dat hij geleend heeft aan de menschen, die hun panden vergrootten.

Riekelt balt zijn vuisten om de strop die Urk gedraaid wordt. Post vraagt wat voor plezier de menschen er in hebben om hun hun brood te ontrooven voor niets. En zelfs Meun kan met deze dingen niet ingenomen zijn. Want het eiland mag dan eiland blijven, Urk blijft toch Urk niet. De zee gaat dood. Alleen Lub Taal neemt de zaak gemakkelijk op. Hij heeft zijn kotter. Hij zal wel zien, dat hij met die schuit