is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korren. Het bezeert hem, dat de Enkhuizers en de Staverschen daar rustig hun beug uit zee halen, terwijl hèm het visschen in de zee, die zijn eiland omspoelt, verboden is. Maar de hoop op Heemskerk's tusschenkomst doet hem zijn boosheid verduwen, en de U.K. 183 vaart het Marsdiep door naar buiten. De scholvangst is zeer middelmatig en de prijzen zijn bar slecht. De menschen in de stad schijnen geen geld meer te hebben voor een maaltje visch. Het moet je feitelijk verbazen, dat de ansjovis nog zoo prijzig blijft.

Van de eerste reis naar de Noordzee komen de visschers met leege beurzen thuis. Ze hooren dat met de ansjovis weer een beste week gemaakt is.

Heemskerk heeft zijn vragen gesteld. In de kranten zijn ze afgedrukt geweest. Het antwoord van den minister laat nog op zich wachten. En inmiddels verloopt de teelt.

Weer varen ze uit. Weer liggen ze in de gloednieuwe sluizen bij het Breezand. De eerste keer dat Post hier schutte — dat was toen de geul bij de Vlieter zoo nauw was geworden en zoo'n sterke stroom gekregen had, dat men daar niet langer passeeren kon — die eerste keer hebben hij en Riekelt verbijsterd rondgekeken tusschen deze machtige muren van beton, naar het hooge glazen sluiswachtershuis, waar een knopje wordt omgedraaid en de kolossale ijzeren deuren sluiten zich achter de botters, waar een andere schakelaar verschoven wordt, en de schepen worden snel omhoog geheven tot het Noordzeepeil, en waar een derde knopje de schepen vrijlaat op het buitenwater.

Nu zien ze vijandig tegen deze technische wonderwerken aan.