is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen aan de jonge zuster-afdeeling. Verleden week is ze aangeboden en onthuld geworden, en in diezelfde vergadering is Riekelt met drie anderen afgevaardigd naar de groote betooging in Amsterdam. Die benoeming is Riekelt toen rauw op zijn lijf gevallen. Hij was toch al met een zwaar hart naar de vergadering gegaan. Toate had gezegd: hij moest die rooie rommel mijden. Moeder had gehuild. Mar had met wat smeekends m haar oogen gevraagd: Toe, blijf nou bij me thuis. Maar Riekelt had zich aan zijn handteekening, op de avond met Duys neergeschreven, verplicht gerekend om te gaan. En toen hij naar de Amsterdamsche meeting afgevaardigd werd, had hij niet willen bedanken, als wist hij vooruit, dat deze reis naar Amsterdam nog meer moeite zou geven dan de vergaderingen in de Willem Barendsz.

Het afscheid thuis was pijnlijk geweest en Mar had hij vanmorgen niet eens gezien. Maar aan de kade was het meegevallen. Hij en zijn vrienden hadden de zaak in de grap gegooid. Ze gingen een dagje uit op kosten van de partij. Die vlag, dat zou een zeiltje wezen, als de Geusau niet hard genoeg liep. De lanterfanters aan de haven hadden gelachen om de mop. Ha, ha, die was goed. En een ander had hen uitgeslapen rotten genoemd, dat ze de S.D.A.P. zoo mooi voor het karretje van Urk wisten te spannen.

Op de boot was de stemming gezakt. Een bejaarde visscher had tegenover hen in de kajuit gezeten. Rustig, zonder spreken had hij hen aangezien, alleen een enkele maal zijn hoofd geschud. Tenslotte was hij langs hen heen naar het dek geloopen, en in 't voorbijgaan had hij halfluid, maar toch zoo dat ze het alle vier konden verstaan, gemompeld: „Urkers in