is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een botter-vooronder is ook geen salon. Maar die kleine ruimte, met de penetrante geur van olie en taan, met het driftig tikkende wekkertje aan het beschot, waar ze rondom het potkacheltje zitten, in het gouden licht van een olielamp, is oneindig veel gezelliger dan dit kale hok met zijn koude electrisch licht. Daar, op de botter, wiegen de golven je op en neer, daar klotst de zee tegen het boord, en dan raak je vanzelf aan het praten in de avonduren. Hier zitten ze als zieke vogels, die hun kop in de veeren steken. En lang voor de nachtbei luidt, zijn ze al in hun krib gekropen Slapen, dat is het beste nog. Dan vergeet je de pijn in je botten en je chagrijn.

Als de week om is beuren de Drenten tien gulden, inplaats van twaalf en zij tieren tegen de Urkers, wier schuld het is, dat ze hun schamele steunpenning nog weer beknibbeld zien. De Urkers zelf staren zielig op de acht of negen gulden, die hun worden uitbetaald.

„Amsterdammers krijgen achttien!" protesteeren zij. „Dan moet jij zien, dat je Amsterdammer wordt," spot de opzichter.

De tweede week een nieuwe ploeg-indeeling. Het gaat niet aan dat de anderen lijden om de Urkers. De visschers moeten dan maar allen in één ploeg.

Het is wel aangenaam zoo bij elkaar. Maar nu de anderen hen niet meer voortdrijven, wordt er nog minder uitgevoerd dan 's weeks tevoren. Vijf, zes gulden wordt hun over die week uitbetaald.

Met een armzalig beetje komen ze 's Zaterdags thuis.