is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vel Urk bleef staan, als een even eenzame als krachtige voorpost van het diluviaal gebied.

En nu kwamen daar de menschen. Nietig als mieren in verhouding tot de krachten der natuur. Zij verbinden het eenzaam eiland aan de vaste wal in minder jaren dan de elementen eeuwen noodig hadden om het ervan te scheiden. Het uitslaan begint. De machtige machines van het groote stoomgemaal gaan werken. Het gonst achter de hooge wanden. In het IJselmeer stort een schuimende waterval neer, en binnen de omringdijk loopt een flitsende stroom op het witte wonder toe, dat dit stuk zee in land veranderen zal. Staag pompen de machines. Gedurig sneller jaagt het water naar het gemaal. Nacht en dag vlieten zilveren waaiers van schuim in het meer.

De oude Meun heeft in zijn bedstee de verandering gemerkt. Het knerpen van de raderen, het rommelen van het leem heeft opgehouden. Een dof gonzend geluid gaat over het eiland nacht en dag.

„"Wat is dat?" heeft hij gevraagd, met een zwakke, versleten

stem. — Hij is hard minder geworden de laatste weken.

„Het zijn de pompen, vader," antwoordt Riekelt. „De dijk

is klaar. Nu raakt de polder droog."

„O," zegt Meun. „Is 't zoo ver."

Meteen zakt hij achterover in de kussens.

Louwe verwijt Riekelt dat hij het gezegd heeft. „Hij heeft er

maar last van."

Meun is een paar dagen heel stil. Hij staart maar voor zich naar de schemerige wand van de bedstede. Hij luistert voortdurend naar het gonzen van het gemaal en het bruisen van