is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo je wil." Hij gaat.

Zoolang Louwe er was heeft Mar gezwegen. Nu pakt ze uit. „Maar dat doe je toch zeker; zóó'n aanbod."

„Zou ik?" vraagt Riekelt met dezelfde aarzeling van straks. „Wel, natuurlijk!"

Riekelt zwijgt. Hij heeft het kwaad. „Ik moet landrot worden," roept hij dan met afschuw uit.

„Dat benne we nu allemaal," wil Mar schertsen.

Maar die scherts vindt geen weerklank, en Mar haar geestdrift daalt. Ze denkt aan de weken van de werkverschaffing in Giethoorn. Riekelt is toen als een levend lijk teruggekomen. Hij kon niet aarden aan de wal. Als het nu zoo gaan zou als toen? Neen, dan liever armoe. Maar armoe is ook vreeselijk. De bange maanden vóór de inpoldering begon, komen in haar herinnering terug. Ze weet niet wat ze Riekelt raden moet. „Je moet het zelf maar weten," is de slotsom van haar overleggingen die avond.

Een paar dagen later is ze nog verder. Dan zegt ze, nadat uit en te na het aanbod van Louwe besproken is: „Als je er zoo tegen op ziet, Riekelt, doe het dan niet. Als jij je dagen in een pakhuis slijten moet, dan wordt het net als toen bij de werkverschaffing. Jij hoort op zee."

„En jij dan?" vraagt hij.

De rollen schijnen nu omgekeerd.

Zij, ze zal hem weken moeten missen en misschien langer nog, wanneer hij op de trawler of de logger zou belanden. Zij zal het vrij zeker krap krijgen, krapper dan de laatste jaren, wanneer hij een plaats krijgt op een Noordzeebotter, want een knechtenloontje is gering, zelfs als de vangst behoorlijk is.