is toegevoegd aan uw favorieten.

Aan dood water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog eens leest, een boek uit de bibliotheek van Samuël, dan is dat lectuur van ander gehalte dan de dames hier bespreken. Wanneer het gesprek op kleeren komt, zit Mar er heelemaal als een vreemde bij. Zij weet van kraplap, hul en dassie. Maar wat weet zij van crêpe de chine, velours en peau de pêche? Annechien komt op het chapiter van de Urker dracht. „Zeg nu zelf, hoe kon ik hier, in ons nieuwe huis, nu in Urker blijven loopen. Dat ging toch niet!"

De andere dames zijn het daar geheel mee eens. „Neen, mevrouw Kramer, dat was uitgesloten."

Mar durft er niet best tegen in te gaan. Ze voelt hoe vreemd zij zelf in deze kleeding in dit gezelschap is.

,,'t Was voor moeder zoo naar," is het eenige wat ze tegenwerpt.

„Daar kon ik me toch niet aan storen," verdedigt Annechien zich. „Moeder is een oud mensch. Die kan nu eenmaal niet mee met de nieuwe tijd."

De dames stemmen daarmee in. Als de wereld zich aan oude menschen storen zou, bleef alles bij het oude. Dan was Urk ook nog een eiland en arm. Nu is er welvaart in het nieuwe dorp.

„Vader was er zoo op tegen," voegt Mar er nog aan toe. „In zijn ziekte had hij het er gedurig over."

„In zijn ziekte was vader wat overspannen op dat punt," meent Annechien.

Het gesprek gaat over op een ander onderwerp. Mar denkt door over wat Annechien zei. Een oud mensch moet je niet te veel rekenen. Vader was wat overdreven in de laatste tijd. Feitelijk heeft Annechien gelijk. Vader sprak voortdurend