is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— We gaan vertellen — zegt Floortje en haar oogen ontmoeten even de bleek-amberkleurige van den jongen burgemeester. Die oogen als van wild dier in lange gevangenschap apathisch geworden, maar nu met een zonderling beroep, dat ze niet begrijpen kan, zich hechtend aan haar. Kan ze zich aan dit beroep niet onttrekken? Ze weet het niet. Ze zit op den hoogen stoel en er is maar één verhaal, dat ze nu vertellen kan, zooals ze straks alleen dat eene liedje zingen kon van den boer. Dat was een baldadige raillerie... een verweer. Dit is de vreemde, de als vijandig aangevoelde droomverlorenheid, die ze nu toch moet zeggen. Ze vraagt in deze ijle onwerkelijkheid naar geen waarom. Het is immers alles een vreemd en onbegrijpelijk spel, dat ze moet spelen, zooals het haar wordt voorgezegd.

— Er was eens een meisje... met roode haren. Ze heette... Jenny. Ze had lichte, smalle voeten, die dansen wilden. Op een avond... in Februari... den eersten lenteavond van het jaar... toen dacht ze: — Ik zal een dans dansen, die „Februari" heet. Februari is een dansend woord.

Ze vertelt aarzelend, zinnend, of het verhaal onder het vertellen door voor haar opdoemt. En eigenlijk is het in het geheel niet spannend en ook voor deze kinderen maar nauwelijks begrijpeüjk. Toch luisteren ze met een overgegeven aandacht. .. de geabsorbeerde aandacht, die kinderen hebben, als groote menschen vertellen van wezenlijke dingen, ook al begrijpen ze die niet. Misschien doet juist het onbegrepene hun aandacht nog meer gespannen zijn. De kinderen voelen, dat dit niet maar een verhaal is, bedacht om hen te amuseeren.

— En toen ze nu den dans van Februari dansen kon, voelde

Tooverlantaarn. w