is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wachten van jeugd, die het gansche volle leven op eenmaal meent te kunnen grijpen. Niet nu, maar morgen. Dan zal het komen... hét. En ze zou wel willen, dat er nu een jongen kwam... een jongen van wien ze het gezicht niet zou hoeven te kennen... die zijn arm om haar heen zou slaan, sterk en vast om haar leest, waar ze dat gevoel van holte en zwakheid heeft... zoodat het zou zijn of een ander leven het hare omstrengelde... en haar meevoerde zwijgend... en... Ze denkt het niet door, want ze vreest wel, dat zoo'n zwijgende, onpersoonlijke overweldiging niet mogelijk zou zijn. Ze zou het gezicht van den jongen móeten zien en dan niet meer willen... nee... want ze houdt niet van de gezichten van jongens.

Maar morgen is het kermis. Het dringt opeens tot haar door, wat het verwijderd geklop, dat ze aldoor heeft gehoord, beduidt. Men bouwt de kennis op. O, ze zou in alle draaimolens willen draaien en in alle luchtschommels door de ruimte willen suizen en in de armen van alle mannen, van wie ze de gezichten niet zou hoeven te kennen, over den dansvloer wervelen tot ze er duizelend bij neerviel. Dat het maar breken zou... het te hevig verlangen... naar veel en altijd meer... naar een werkelijkheid, die het volle... het absolute leven zou zijn.

Voor haar uit gaat een woonwagen, schommelend en schokkend over het ongelijk plaveisel, klein, rijdend huisje met lamplichte venstertjes. En het oude kinderverlangen springt in haar op naar zwerven... de wijde wereld over. Geen huis, dat je bindt... geen terugkeer eiken avond naar het overbekende. .. zwerven in zoo'n wagen met een paardje er voor en de heele wijde wereld was van jou. Dat is zoo groot en ver,