is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ouden vergrijsden knecht en een oude meid, die nog blauw katoen droeg en een kornetmuts: Bart en Antje. Ze waren het huis Haerlant van Heerenhaghen onvoorwaardelijk en kritiekloos toegedaan en Floortje en Rudolf mochten in de groote keuken met den bonten tegelvloer al Floortjes culinaire droomen verwezenlijken. Die dan bestonden uit: gebakken kaas zooals in „Kleine Heidi" beschreven staat; rijstkoekjes, zoo goudbruin mogelijk als de rijstkoekjes van Ming uit „De gouden kris"; gebraden appels, gepofte kastanjes en in de schil gekookte aardappelen; blanc-manger omdat dat de pudding was uit alle romans en die Antje in drie kleuren bereidde; ananas niet uit een blikje en abrikozen en omelette au rhum en marrons glacés, die Floortje met toewijding uit de suikerstroop vischte.

Rudolf vond alles goed als zij het maar prettig vond. Als ze maar tevreden was en lang wou blijven. Nu die isoleerende laag van koele hoogheid, waarachter hij zich altijd had schuil gehouden, het begeven had, kwam er iets roerend zwaks en hulpeloos', te voorschijn... een knaap, kwetsbaar, „weltfremd", vluchtend voor de booze wereld in deze vereering van het volkomen lieflijke.

Als Floortje niet wou blijven en zelfs heele dagen niet wou komen — het gebeurde dikwijls... voor haar was dit „spelen met Rudolf" maar zoo nu en dan begeerlijk — voelde hij zich ontredderd en versmaad. Tenslotte bedacht zijn zwakheid de hst, die haar lokken kon. — Hij zou haar paardrijden leeren. —

En dit kon haar een tijdlang de volkomen vervulling schijnen. In deze beweging... in dit een zijn met het snelle, glad-glanzende paardelijf... in de deinende cadans van een galop of de strakkere van een draf... waren sprookje en werkelijkheid...