is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 10.

Maar dan op een keer is het de eerste lentedag van het jaar... een dag in Februari. In de dakgoot oefenen de spreeuwen dat langgerekt „tuuuu.. .iet!" en telkens als het opklinkt, is het of in de snaren van een mateloos verlangen gegrepen wordt. In het park om het kasteel staan tusschen de dorre boomen de hazelaars en elzen in verwonderlijk gouden bloei. Zachtjes, overgegeven aan den zoelen voorjaarswind, deinen de katjes heen en weer. Over het gazon, dat naar den donkeren vijver af helt, strijkt als een lichte melodie de prille bloei der sneeuwklokjes. En in meester Menardie's tuin bloeien blauwe bloemetjes, zoo wonderlijk diep en vroom van tint, dat het is, of ze als kleine sterren uit het hemelblauw gesneden zijn.

En al deze tonen van verlangen en jonge verwachting en zoete wellust en vroom aandachtig zijn klinken te zamen in Floortjes hart als een kwellend-zoet, onopgelost mineuraccoord.

Wat nu ? Hier komt het zacht-vloeiend aangegolfd, het vreemd beloftevolle leven, dat op zichzelf wel heerlijk is, maar niettemin trekt naar een extase over de eigen grenzen heen. Wat nu? Hier komt, nu de knoppen zwellen aan de lindeboomen, de droom weer aangedreven, tegen wiens onmeetbaarheid de menschelijke bedoeningen klein kunnen lijken.

Wat nu ? Wie ? Waarom ? Waarheen ? Het heele leven lijkt één onopgelost mineur accoord. De lente zal komen. De stad Heerenhaghen zal zich hullen als in een sluier in dien schemerigen licht-