is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een fiksche stem. Het woord afgrijzen was Joris een vreemd brok in zijn kinderlijk begrip. Doch hij besefte dat het moest beteekenen: niet bij Jezus zijn. Dit bedroefde hem zeer; hij dacht, dat men daarom zou schreien. Na evenwel schreide niet. Wel begon zij steeds erger te zweeten.

— De adept, Wijnanda Willibrord, had er al dien tijd bij gezeten, als ware zij stom en doof. Want tot het uitbrengen van eigen profetieën werd zij nog niet losgelaten. En zelfs bijaldien zij, geheel onpersoonlijk, haar veel oudere voorgangster steun of ook maar bijval had willen bieden, dan nog zou Na de dochter der profeten op haar plaats hebben gezet met een beweging van achterhoofd en schouderblad, welke beduidde: ,,'k Ken 't alléén wel af.” Dus zweeg Wijntje en geeuwde zelfs. Zij was een mooie zwarte meid, met oogen als toortsen. En waar zij vooralsnog niets te doen had, wenschte zij met kleinen Joris te spelen. Zij keek een tijd lang naar de theestoof, waar 't kind achter moest zitten, en liet haar hand afhangen. En hij kwam uit ’t donker te voorschijn en naar haar toe. Zij bewoog haar hand een weinig, alsof zij met een hapje een hondje lokte. En Joris schoof al nader, op zijn broekje, achter de theestoof om, achter zijn moeders stoel en 't open vlak over, tusschen dien stoel en ’t bezoek, tot hij tegen Wijnanda’s rok aan zat. Daar pakte zij hem met één hand op en trok hem op haar schoot.

Joris was een teer jongetje, een echt speelpopje. Niets vond hij zoo prettig als vertroeteld te worden. In den tijd toen al zijn zusters nog thuis waren ging Jo den heelen dag van hand tot hand. „Een kat knuffel je groot, maar een hond knuffel je dood,” werd er toen gezegd. „Nu," antwoordden zijn zusters, „dan is Jootje een poesje.” Zij namen hem 's avonds wel mee naar bed, en vergaten hem terug te leggen eer zij zelf insliepen, zoodat Joris wakker werd, om de beurt naast een andere zuster. Die waren toen al volwassen meisjes. —

— Wijntje Willibrord had een weeke stem en zij lachte zoo vriendelijk, Jo had het best naar zijn zin op haar schoot en legde zijn hoofdje aan haar zachte borst. Hij dacht wel dat zij wat met