is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelooven dat zij hem weerzien zou. Alles, wat gebeuren kon, zag zij ook gebeuren: de pont kantelde, treinen botsten, hollende paarden renden den weg af. Zij was absoluut verbaasd, als Joris gezond en wel thuis kwam. Ook als hij de stad niet verliet moest zij weten waar hij was; in de Putterstraat of op de fabriek, 's Namiddags, als 't kon om ’t weer, liep zij hem graag een eindje tegemoet, den dijk op. Zij zwenkte dan bij ’t treffen en liep naast hem voort, zij links van hem, omdat hij haar oom was; en zij spraken over de dingen, waar het interesse van menschen uit de provincie prettig op warm loopt. — Doch nimmer stortten zij hun harten voor elkander uit, dat deed men daar zoo niet. En toch waren zij samen zoo vertrouwelijk.

En nu hoorde Phaantje, dat mijnheer Joris Praet de weduwe Koster bezocht... ééns... of meer keeren... of geregeld... wanneer ... hoe laat... ? En zij wist nergens van. En dat moest zij thans laten merken.

Zij hield zich goed. En ook Zwarte Wijntje hield zich goed; zij keek juffrouw Visser niet aan; peinzend zat zij in den tuin te turen, haar stout profiel als een plaquette tegen een kastje van blank eikenhout. —

— Bij de verwanten gold Joris Praet voor stiekum; Stephanie wist dat en sprak het niet tegen. Doch zelf ervoer zij deze eigenschap slechts in den aangenaamsten vorm. Haar moeder was in de huishouding akelig zuinig; was ’t eten eens erg schraal geweest, dan stond er ’s avonds in ’t kamertje van Joris een fijn hapje klaar, een duur lekkernijtje, zelfs wel een clandestien glaasje wijn. En nooit lekte dat uit; 't zou bij de huisvrouw ook wel in bar slechte aarde zijn gevallen, bij haar, die zich alles ontzegde.

„Oom is niet open," dacht Stephanie, met de verbijstering van iemand, die zich eensklaps vertilt aan ’t lichtgetelde. Het woord „stiekum", met zijn argeloozen klank, paste voor geheime smulpartijtjes, samen op de vensterbank. Doch ’t paste niet voor d i t. Dit was geen grapje meer. — „Dat hij ’t mama niet zegt, begrijp ik," dacht zij snel. „Mama kent die menschen van de Schrikkelpoort; ze laat niet eens alles los, wat ze weet. Ze zou boos wezen,