is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speelde. „Wij moeten hier hoe eer hoe beter vandaan," dacht zij. „Hoe meer er gebeurt en hoe hooger het loopt, hoe meer Edmund straks te vertellen heeft en hoe moeilijker het wordt. Die ellendige Komijn ook... en dat oom Jo daar bang voor is... Voor Zwarte Wijntje, dat begrijp ik; zij is een machtig mensch. Zij kan veel kwaad met mannen, nü nog. Zij praat ze om, zij heeft ook zoo'n kracht van zeggen. Als oom Jo er toch maar vandaan bleef...

Onderdehand kwam Klaas Komijn er aan, want hij begreep dat hij over de schreef ging, nu hij de juffrouw de draversbaan opnieuw zoo liet vinden. Hij kende den jongen mijnheer Visser niet zoo goed en had hem onderschat; door dit optreden was hij toch uit 't veld geslagen. Maar daar stond nog niet veel van te lezen op zijn uitgestreken gezicht.

Edmund wierp de hekken los en schopte in zijn drift het bleekgoed opzij. „Daar, wou je me vertellen, dat hier gestapt wordt? Vent, sta me nou voor te liegen. Maar ik zal maken, dat jij in ’t vervolg achter je vodden wordt gezeten; en nou ga je de paarden halen."

„De paarde hale... hier?"

„Ja, versta je me niet? Je haalt ze en je stapt, dat ik 't zie, net zoo lang, tot ik zeg dat 't genoeg is."

Er zat niets anders op; sip legde Klaas de wasch van zijn vrouw weg en ging om de paarden. Ze kwamen er aan, ze keken vreemd en wild in de zon, Floris en Witte, de corpulente stakkers, met hun vastgeroeste pezen; nog prachtige dieren, al waren ze oud. Toen ze de versche lucht in hun longen haalden, proestten ze, of ze een douche kregen, en 't duurde niet lang, of Edmund moest zeggen: „Zoo, ’t is voor vandaag genoeg." Want Floris en Witte waren zoo verbroeid, dat ze 't met ’t gewone stappen al haast te kwaad hadden en ze werden aemechtig als asthmalijders, toen de thans ijverige Klaas er een sukkelgangetje in zette.

— Edmund ging mee terug naar den stal, om op 't afwrijven toe te kijken. Hij was achteraf bang, dat het den paarden niet goed bekomen zou en heel dien dag zag hij hun verbijsterde oogen voor zich. Als van iemand, die, jarenlang ziek, in zijn bedstee is