is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stompelok; die was er altijd vóór om maar te laten doorzieken, dan was je er tenminste weer voor een tijdje van af. Over 't geheel wilde de burgerij wel luisteren, de verslagenheid en angst waren ook zoo groot. Na de Witte Steeg raakte het oude kromme Engstraatje besmet en de Zadelmakersstraat. De Kerkstraat was al niet vrij meer, dat was alleen de Putterstraat nog, waar onder al de heerenhuizen groote regenbakken waren. —

— In 't huis van de weduwe Wagemakers was een schoenlapper komen wonen, een stille man. Hij heette nooit Gijsbert Reens, maar altijd Gijsbert Vogeltje, want zijn werkplaats hing vol kooitjes, waarin kanaries zongen. Gijsbert was een ervaren fokker; wie een vogeltje koopen wilde, kon bij hem terecht. Soms had hij wel tien, twaalf jonge mannetjes zitten in kleine kevies met schotjes van bordpapier ertusschen, die van een volwassen voorzanger de mooie rollers moesten leeren en, eenmaal bekwaamd, onder de burgerij grif van de hand gingen.

Gijsbert werd op een morgen ziek achter zijn werkbank; hij had het al dagen voelen aankomen. ,,Ik denk, dat 'k naar bed ga, zei hij tot Keetje, zijn vrouw. „Nou moeten de kinderen hier de vogeltjes maar weghalen.'' Dat waren zijn getrouwde dochter en haar man. Ook de schoonzoon had zich op de kweek toegelegd; Gijsbert echter was hem daarin nog verre de baas. Doch Keetje had er geen zier verstand van kunnen krijgen en dit was een zeer donkere, zeer pijnlijke plek geweest in Gijsberts huwelijksleven. — „Ik zal der anders nou wel goed op passen, Gijs," zeide Keetje beschaamd. „De kinderen zullen ’t van me afkeuren . — „Dat doen ze dan maar,” antwoordde Gijsbert. „Als jij der voor moet zorgen, dan vind ik geeneen levend terug... als ik beter mag worden."

Gijsbert Vogeltje lag hard ziek en wist van niets meer. Doch toen hij genas, hoorde hij steeds maar zijn vogeltjes zingen, die zijn schoonzoon toch meegenomen had. Het monterde hem zoo op; 't leek of het vogelengezang van al zijn eentonige jaren op de schoenlapperskruk ergens in 't geheim was opgevangen en nu terugkwam om hem te vertroosten. „Ik wou er weles wat van