is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichtplekken, tinnen schotels aan een wand, flesschen op een plank — de verhitte gezichten van eenige notabelen, kranten op een houten blad. „Ja — kom", hij wil iets vergeten, een schrijnend gevoel, een gemis, iets van heimwee. Hij haat dat heimwee-gevoel. Hij vloekt er tegen. „Och goddome", vloekt hij in stilte. Het is ook of hij bij zijn Moeder zit, op het Spinstuk te Halverhout en met haar praten kan. „Ik wil niet nog ellendiger worden, Moeder, ik wil niet . . . Dan hou ik het immers niet uit, zeg Moeder? En als ik het niet uithou, wat moet het dan? Nou, wat moet dat dan?" Hij kijkt om zich heen, hij moet er zijn oogen wijd voor open doen.

De notabelen ziet hij nu, zooals hij ze nog nooit te voren gezien heeft: Onno Krabbeel gewichtig en bol als een speksteenen Boeddha, Godüef Vickers een grijze huis-duif, moe, ineengedoken, ziek, onrustige kraaloogjes, notaris Kerlings — het geitje van Jan Mankes: bij uitstek menschelijk, Dasselaar met zijn puntige neus en smalle gele bijt-tanden—een of ander knaagdier, Wedzieg een dikke dog met rolronde plooien in zijn hoog bol voorhoofd, Look een verkleumd triest mensch-aapje, met een orang-oetangkaak en smeekende kleine oogjes. Hij drinkt koffie, het mensch-aapje Look, hij is de eenige die koffie drinkt. „En ik — wat ben ik zelf?", hekelt Taco, „een schuwe hegge-musch, een hegge-musch die niet eens durft sjilpen." Zelfs die gedachte schaaft langs een pijn. Hij hoort weer waar die anderen het over hebben.

De speksteenen Boeddha voert het hoogste woord. Dat is altijd zoo. En niemand verzet zich daartegen: hij is de rijkste man van de stad. „De Abessiniërs!, och