is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vensters daarboven uitbundig verlicht. Scherp maar heimelijk spiedt het licht langs franjes, ringen en roeden naar buiten. Er is daar iets waar men naar kijken moet. Er is toch niets bijzonders te zien: lichte vensters, een huis . . . Maar dan loopt er iemand te dicht langs de overgordijnen van een hoekraam, de plooien schuiven op, de beide zijkanten wijken in het midden uiteen, er ontstaat een breede opening. „Wat!, wat . . .?", Taco houdt zijn stap nog in. Maar de gordijnen vallen al weer toe, nee, de gordijnen worden driftig met een ruk dicht getrokken. Verbluft kijkt Taco nog 's omhoog. En dan wil hij toch niet eens met woorden, met gedachten aanroeren wat hij daar zag. Hij wil het niet toelaten in zijn gedachten. „Het kan immers niet?, heb ik een borrel te veel gehad?, nee, heb ik delirium tremens?, dat ik dingen zie die er niet zijn?" Van een ruig spook schrikt hij op, iets onwezenlijks: het fladdert meer dan het loopt, het heeft een kalkachtig masker-gezicht. Nee, niets bizonders, het is Kaatin maar. „Meneer", fluistert een schorre stem. Taco zou een schreeuw willen geven. Hij zegt: „H'm." Hij wendt zijn gezicht af. Maar hij spiedt toch ook weer onder het naargeestige licht van een lantaarn naar de schaduw van een verwilderd mannenhoofd, op de steenen. Er is daar geen mannenhoofd, links noch rechts, Kaatin volgt hem niet . . . Voor die verkleumde ingang van het Reiferpark, staan een man en een vrouw die daar niet moesten staan: ze trekken zich terug bij de breede stam van een eik daarginder. Taco ziet het al van verre . . . Een heer met lichte deukhoed en sjaal, een dame in een geblokte mantel: licht en donker, een brutale ruit, en een hoedje met een witte