is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkt heeft ziet er nu uitgerust uit. En de anderen?, de leegloopers?, och, nou ja, trouwens die zijn er haast nog niet. Wat moeten ze ook zoo vroeg?" Hij stapt luchtig. Hij stapt overdreven-luchtig, zijn armen slingeren, als hij een hoed op had zou hij hem een tikje achterover schuiven. De ochtendwind vloeit als koud water over hem heen. En hij wil glimlachen, wil per se ghmlachen. Hij kan zich plotsehng weer voorstellen, hoe hij als jongen van zestien-zeventien naar de H.B.S. ging, zijn tasch onder de arm, een hedje in zijn gedachten, een appel in zijn zak. „Wat voor vak hebben we het eerst? Physische aardrijkskunde." Hij praat met Bertje Tim. Lange vlechten heeft dat kind met paarse strikken van onder. Ze hebben het over hun repetities, de lessen, mijnheer Kreiger, mijnheer Van Weelie . . . Er tusschen door denkt de veertigjarige Taco Solwerda: „Een jongetje van een vorige generatie!" Hij had — en hij heeft nog altijd — een groote vereering voor zijn leeraren. Mijnheer Kreiger is zoo eerlijk. Mijnheer Van Weelie geeft zoo prachtig les. „Je ziet van lieverlee wat een fijn wonderwerk een gedicht is, een stuk proza.' Taco snuift — hij ruikt de Lente van toen. Dié was pittiger. Hij ziet de zilver-nevel die over huizen en torens hangt, een poezehg meisje met een mand vol bloedroode tulpen in een vochtig ochtend-straatje . . . „Er was toen heel wat meer smaak — aan het leven, dan nu. Er zat zooveel meer achter de lange bhk van een meisje . . ." Hij ziet zich weer als jong redacteurtje op dat scharminkelige Bureautje van „Ons Noorden" te Motz. Bertje Tim was daar ook — zoo'n manusje van alles. Ze dweepten samen. Ze lazen samen een gedicht