is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plooierig als ik hem zie — zoo is die man toch niet?" „Makker?", denkt hij. Maar Bos zegt eerbiedig: „Dus als u dat goed vindt, meneer?, komt het u dan gelegen, meneer?" In het voorbijgaan praat Taco ook nog met Wirschkul, de boekhouder. Wirschkul is immers een dood-eenvoudig mannetje, met een hooge witte boord, een net confectiepak, een regenjas en een bolhoed?, ja, een net burgermannetje die niets te verheimelijken heeft. Maar vandaag heeft Wirschkul toch werkelijk een radeloos gezicht. Ja, hij lacht als de patroon een grapje maakt. Hij antwoordt beleefd als de patroon hier en daar naar vraagt. Maar zijn mond beeft . . .

De klokken van de Lambrechtstoren klingelen over de stad: het is twaalf uur. Taco verlaat het Bureau. „Ik wil toch een kruik Bols in die muurkast op mijn kantoor hebben." Hij kijkt wèl naar de menschen, zoo van terzij bij het passeeren, en hij meent ze ook wel te zien — hij weet toch maar vaag dat hij ze kent en hij groet ze verstrooid af en toe. Hij ziet ook wel achter de glanzende spiegelruit bij Stritz het kleine gedekte tafeltje, een bord met een servet, een menu en een krafje wijn, en de rust die daar om heen staat, de stilte . . . Een oogenblik houdt hij zijn stap in. „Hè-ja." En hij fronst zwak. „Eten we met ons vieren?", en die vraag komt hem bekend voor, haast beschamend bekend, „of is er weer een ander bij? Altijd anderen — ja — en die drie dan?, Anne-Cris en de jongens zijn dat dan ook niet de anderen? En ik — ben ik niet de vreemde?, altijd de vreemde, die telkens maar weer terugkomt?" Opeens wil hij erg in de zon hebben: „Kijk dat alles 's glinsteren." Hij stapt krachtiger. Hij trekt zijn rug recht. Hij