is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ER zijn toch altijd dagen die wat hoopvols hebben. Het kan regenen en plotseling breekt de zon door en de regen lijkt van kristal en de straten schitteren of ze gepolijst zijn: de bruine ronde markt keien, het grauwe asphalt, de vierkante platte steenen in het grijze plaveisel van de arme-menschen-buurtjes, alles blinkt, alles blikkert, blauwe edelsteenen aan de daklijsten, lange diamanten aan de boomtakken . . . Zelfs Taco's verkleumde bloote handen glinsteren en de ruige plooien van zijn jas. Hij glimlacht zonder dat hij het merkt. „Als het eerst maar weer Lente is, oue jongen." En het is of hij door de klare kristalglans van de straten heen kijken kan naar betere dagen. En hij zou willen fluiten.

's Avonds komt diezelfde gedachte terug. „Ja — de Lente?" Maar hij trekt er zijn voorhoofd bij op. „Nou, en wat dan nog?" Hij heeft de kranten gelezen: FranschEngelsche vredesvoorstellen in Abessijnsch conflict — Japan versterkt garnizoenen — Hauptman's proces verlengd . . . Hij heeft Savrij ontmoet. Hij is een paar maal opgebeld en hij heeft Weigel Altenstadt vervloekt . . . Nu denkt hij aan Anne-Cris. Haar wenkbrauwen groeien schuin bij haar voorhoofd op. Haar spitse nagels zien er uit of zij ze in bloed gedoopt heeft. Voor ze inslaapt, eet ze nog zoo'n perzik van Weigel Altenstadt op. Ze likt met de spitse punt van haar roode tong langs de vruchtenvelletjes, ze drukt haar lippen om de sappigweeke perzik-schijfjes heen of zij ze kust en ze glimlacht amoureus, ze eet zelfs amoureus ... Op dat sparrenpad van Ballering heeft hij dat ook al gezien in zijn gedachten. En het is een erg onbeduidende en — erg hinder-