is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mendels en Bennitz brandt het licht nog overal, daar zien ze dus niets. Hij loopt door.

En dan zit hij ook weer bij Crijna Boetzaarde. En ze praten samen, maar soms weet hij niet waar ze het over hebben. Dan ziet hij twee schaduwen. Even later, dan hoort hij Crijna toch ook weer. „Ja, het is al laat, Taco. Maar als het moet — als het noodig is ... Ik wóu de luiken sluiten voortaan, maar dat is niet goed. Ik moet de luiken openhouden voor jou en — voor iedereen, voor elk mensch die hier naar toekomt, zooals jij nou . . ." Er wellen allerlei gedachten in hem op, en eer hij ze uitspreken kan, zijn ze weg . . . Nee, er is toch nog wat dat hem bijblijft. „Die club — wat hoefde dat?" Ze geeft een ontwijkend antwoord. „Dat heeft een doel. Daar moet ik naar toe . . ." Het is al nacht. Ze heeft toch nog kleur op haar wangen, en ze heeft uitgeruste oogen. Haar lippen zijn rood, een zacht natuurlijk rood is dat, en haar welige haar gloeit als koper. Zij is zoo frisch en wakker of ze zich pas gebaad heeft. En om die frissche aanlokkelijkheid is het toch niet dat Taco zoo naar haar kijkt. „Je begrijpt dat arglistige niet", zegt hij vlug, deze gedachte wil hij niet laten glippen, „jij loopt regelrecht in de val. Het geraffineerde van die vrouwen, al dat onbegrijpelijke en verwarrende en prikkelende, dat is jou vreemd, Crijna." Ze glimlacht ernstig. „Ik weet wel wat er in jou omgaat. Maar er is nog zoo-iets als leiding. We zitten allemaal aan een — een geestelijke navelstreng vast." Dat hoort hij nog goed, dat nog wel. Maar dan wijken de woorden uit, dan verliezen ze hun beteekenis, achter een stilte gonzen ze nog, geluiden en meer niet, enkel geluiden . . . Hij kijkt