is toegevoegd aan je favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij kijkt . . . Dan denkt hij ook weer aan de laatste persberichten, een gesprek met burgemeester Heinz, de glimlach van slager Siefelstee, die vreemde verkennende lonkende blik van Dasselaar. „Met jóu zou ik wel 's willen praten." Zijn oogen dwalen af. Hij verdiept zich in het jaar-overzicht voor zijn krant, hij denkt aan de jaar-vergadering van de aandeelhouders, het ingezonden stuk van Godlief Yickers. „Anti-N.S.B. — omdat misschien een van zijn tegenpartij ders — proN.S.B. is . . . Dat kun je toch niet opnemen. Veel te fel. In zoover heeft Krabbeel gelijk gehad: onfrissche replieken . . ." Hij denkt ook aan Wedzieg. „Waarom zoekt die man mij niet op? Hij blijft netjes uit mijn vaarwater. Mij durft hij niet aan ... Nou ziet hij wel, dat ik hem uit de weg loop." Klaar wakker is hij nog altijd. Zijn oogen gaan ook weer naar Anne-Cris toe, hij luistert naar Anne-Cris ... Er is een eigenaardig klokkend geluid in haar keel, het begin van een lach, van een onderdrukte schater. Ze ademt opgewonden en beweegt zich onrustig. Er is zelfs wat zwoels in het fijne geknister van haar pyama. Ze zucht — een lang aangehouden sensueele zucht is dat. Taco buigt zich wat dieper naar haar toe. „Anne-Cris", denkt hij, „wat voor droom heb je?, wat gaat er toch in je om?, wat gaat er toch altijd in je om?" Hij ligt op zijn linkerzij, en hij voelt de diepe moeizame klop van zijn hart en hij zweet en hij ademt beklemd. Hij werkt ook zijn jaar-overzicht weer om. Maar het bevalt hem niet. Hij begint er opnieuw aan . . . „Ik wou dat ik slapen kon", denkt hij ineens. Zijn oogen schrijnen, hij is dood-moe, hij voelt zijn moeheid tot in zijn vingertoppen, tot in zijn